De kantinejuffrouw

Met bouwhelm op en -laarzen aan loop ik over stelconplaten naar de kantine. Binnen zie ik kerels, véél kerels. Warmtelampen verlichten broodjes bal met satésaus. ‘Kroketten hebben we morgen weer,’ zegt een vrouwenstem, de kantinejuffrouw.

De volgende dag pak ik een broodje kroket. ‘Joh, neem maar een extra broodje. Die krijg je van ons.’

Na de lunch loop ik richting de toilet en hoor haar zeggen: ‘Wil je de sleutel van de damestoilet?’ Van de zestien toiletten heeft er één een sleutel. ‘Loop de keuken maar in. Daar rechts aan het haakje op de deurpost.’

Op de terugweg hang ik de sleutel op zijn plek terug. ‘Hier, neem die nootjes lekker mee.’ Ze drukt een zakje in mijn handen. ‘Ben je er morgen weer?’

Voor haar wil ik er morgen weer lunchen. En dan zal ik na binnenkomst direct mijn bouwhelm afzetten, zoals het hoort.